| |
|
Tai Chi (=Chinese bewegingskunst)
Er bestaan binnen het tai chi verschillende stijlen, zoals de chen-, yang-, wu- en sun-stijl, waarbij de yang-stijl voornamelijk langzaam wordt uitgevoerd en de chen-stijl ook explosieve momenten in zich heeft. Deze stijlen zijn vaak weer onderverdeeld in diverse substijlen van leraren die er hun eigen kennis, vaardigheid en ervaring aan toe hebben gevoegd. De bewegingen worden in een vaste volgorde uitgevoerd. De tai-chi beoefenaren spreken van vormen. Elke stijl kent zijn eigen vormen, die van leraar op leerling worden overgedragen. Bij Insenzo leer je de korte Yang-stijl, bestaande uit 37 figuren of houdingen.

Klik op de afbeelding voor de XL versie als PDF
Deze verkorte vorm helemaal doorlopen duurt 8 minuten. De langzame bewegingen, die vanuit het bekken en vooral zeer ontspannen uitgevoerd worden, zijn kenmerkend voor tai chi. De vormen worden vaak dieper uitgevoerd, waarbij men dus meer door de knieen zakt en zo beter de balans leert te bewaren.
Tai chi ... might well be called "medication in motion."
There is growing evidence that this mind-body practice ...
has value in treating or preventing many health problems.
Harvard Medical School's Harvard Health Publication, May, 2009
Ontdek een bron van energie!

Tai Chi: startpose - het openen van de bron
T'ai-chi-ch'uan: een introductie
Deze introductie doet een poging om een ietwat ruimer beeld te geven van de bewegingsleer van T'ai-chi-ch'uan (of Tai-Ji-Quan), beter bekend als T'ai-Chi of Tai Chi.
De centrale vraag gaat over de betekenis van T’ai-Chi. Om op deze vraag antwoord te kunnen geven, splitsen we deze vraag in kleinere vragen:
1. Waar liggen de wortels van T’ai-Chi?
2. Wat is basis van T’ai-Chi
3. Wat is de kracht van T’ai Chi?
4. Wat doet T’ai-Chi voor ons?
Waar liggen de wortels van T’ai Chi?
De mondelinge overlevering vertelt het volgende:
3500 jaar voor de Christelijke jaartelling, heeft Fu Hsi de I-Ching geschreven. Dit boek bevat een groot aantal orakel-teksten, die uitspraken doen over de werking van het universum, en de consequenties hiervan voor het menselijke handelen. De nadruk ligt op het in harmonie zijn met natuurlijke veranderingen. Zowel de Taoisten als de Confucianisten verwijzen naar de I-Ching. In de I-Ching staat T'ai-chi voor "het Volmaakte". Dit is de situatie van het universum op het moment, dat het een dynamisch evenwicht tussen polariteiten vormt.
In de 6de eeuw bracht meester Bodhidharma het Zen-Buddhisme naar China. In het Chinese klooster Shaolin gaf hij de plaatselijke monniken behalve meditatie-oefeningen ook lichaamsoefeningen.
Enerzijds onderwees Bodhidharma de Indiase Yoga-oefeningen, die zich ontwikkelde tot de Chinese Ch'i-kung (energetische oefeningen).
Anderzijds onderwees Bodhidharma de Indiase zelfverdedigings-technieken, gebaseerd op het nabootsen van de bewegingen van dieren zoals: Draak, Tijger, Luipaard, Slang en Kraanvogel.
Zo ontstond Shaolin-ch'uan, dat betekent Shaolin vechtkunst, bestaande uit de Vijf Dieren-stijlen; alle Chinese vechtvormen beweren hiervan af te stammen.
In de 14de eeuw combineerde de Taoist Chang San-Feng een aantal Shaolin gevechtstechnieken met Taoïstische meditatie-technieken. Van Shaolin heeft hij de soepele bewegingen van de Slang, gecombineerd met de stabiele bewegingen van de Kraanvogel.
Hierdoor ontwikkelde zich een stijl die gekenmerkt wordt door vloeiende, cirkelende bewegingen, een stijl die in essentie gebruik maakt van de kracht van de aanvaller om deze ten val te brengen. Vanuit het Taoïsme komt meer de nadruk te liggen op gezonde lichaamsbeweging, het zelfgenezende aspect. Voluit heet deze bewegingsleer T’ai Chi-Ch’uan, letterlijk vertaalt Volmaakte Vechtkunst. Daaruit blijkt zonder twijfel dat T’ai-chi haar wortels heeft in de vechtkunst. Maar voor het goede begrip spreken we hier bewust niet van T’ai Chi-Ch’uan, maar van T’ai–chi, omdat bij Insenzo de focus ligt op zelfgenezing en meditatie. Zelfverdediging komt bij Insenzo niet aan bod.
Wat is de basis van T'ai-chi?
Als we kijken naar de wortels van T'ai-chi, zien we hoe Buddhisme en Taoïsme tot een geheel zijn samengesmolten. Van oorsprong maken zelfverdediging, meditatie en filosofie deel uit van dat geheel:
• Door mee te geven met de aanvaller, wordt hij ten val gebracht.
• Door mee te geven met de stroom van de gebeurtenissen, is men in harmonie met de natuur.
• Door in harmonie te zijn met de natuur van binnen en van buiten, blijft men gezond van lichaam en geest.
Zelfverdediging was van oudsher een belangrijk thema in het oude China. Om gevechtstechnieken te verbeteren en te vervolmaken observeerde men de houdingen en bewegingen van dieren, bijvoorbeeld van slangen, adelaars, tijgers en apen. Ook wanneer zij in gevecht waren. Deze dierbewegingen werden overgenomen en daar waar nodig aangepast.
Door er zo intensief mee bezig te zijn ontdekten de mensen dat het dagelijks beoefenen van deze technieken niet alleen maar gunstig effect had op het lichaam (kracht en conditie), maar ook heilzaam werkte op de geest. Mensen voelden zich gezonder en vitaler, waardoor uiteindelijk de aandacht niet meer alleen gericht werd op de verdediging en verbetering van het gevecht, maar ook op de ontwikkeling van technieken die de gezondheid ten goede kwamen. Omdat de gevechtstechnieken bestemd waren voor zelfverdediging, werd in iedere familie de daar ontwikkelde vorm consequent geheim gehouden. Wel werd hij overgeleverd van gezin op gezin binnen een familie en van generatie op generatie.
Dat is de reden waarom er in de T’ai-chi zoveel verschillende vormen en stijlen bestaan. De vorm die Insenzo doorgeeft is de verkorte vorm van de Yang-stijl. Deze bestaat uit 37 bewegingen en is ontwikkeld door Chen Man Ching. Hij vereenvoudigde de lange ingewikkelde vorm van de Yang-stijl (bestaande uit 128 bewegingen) waardoor deze toegankelijker werd voor de westerse mens.
T'ai-chi betekent letterlijk ‘het hoogst bereikbare’. Dat betekent natuurlijk niet dat je in staat van verlichting bent wanneer je een paar jaar T’ai-chi beoefent. Wat de Chinees hier doorgaans mee bedoelt is het in harmonie brengen van de yin en yang krachten: de aardse en de hemelse energie. Deze energie is overal aanwezig. In de kosmos, in de natuur, maar ook in de mens. Wanneer deze energie bij de mens in balans is, is het lichaam gezond en is de geest rustig en ontspannen. Yin en yang zijn twee tegengestelde krachten die het leven bepalen. Maar het zijn tegenstellingen die elkaar nodig hebben en die elkaar aanvullen.
Het één kan niet bestaan zonder het andere. Zonder dag bestaat er geen nacht. Zonder ziekte bestaat er geen gezondheid, zonder boven bestaat er geen onder. De langzame bewegingen van de T’ai-chi werken harmoniserend op deze yin en yang krachten, waarvan een preventieve werking op de gezondheid uitgaat.
Wat is de kracht van T'ai-chi?
T’ai-chi onderscheidt zich van andere bewegingsvormen doordat heel bewust gewerkt wordt met levensenergie. (Veel Oosterse vechtkunsten werken overigens met deze energie). Het woord “Chi” betekent “energie”. Dit is voor westerlingen vaak nog een moeilijk begrip, omdat het “energetische” niet zichtbaar is. Als het niet zichtbaar is, wordt het al snel “zweverig” genoemd, maar dat berust op een misverstand. T’ai-chi zet je letterlijk met beide benen op de grond.
Net zoals het bloed via de aderen door ons lichaam stroomt, verplaatst de energie of Chi zich via de meridianen, ook wel energiebanen genoemd. Een mens heeft 14 paar hoofdmeridianen in zijn lichaam. Deze energiebanen zijn niet zichtbaar, maar dat ze werkelijk bestaan is inmiddels door wetenschappelijk onderzoek en door succesvolle behandelmethoden via acupunctuur onomstotelijk bewezen. Meridianen staan in verbinding met onze organen en het is de energie afkomstig van de meridianen die de organen levend en gezond houdt.
Energie wordt gevormd door ons voedsel, door zuurstof en door oefening. Iedere beweging in de T’ai-chi is zo uitgekiend dat het werkt op een bepaalde meridiaan of een groep van meridianen, waardoor de energiestroom wordt beïnvloed. Blokkades worden opgeheven; een te sterke stroom wordt gekalmeerd en een te zwakke stroom wordt gestimuleerd.
Het is een stijl die men tot op hoge leeftijd kan doen. Het wordt vooral aanbevolen vanwege het gezondheidsaspect, voor preventie en revalidatie. Meditatie en filosofie gelden als een mooie bonus. Dit is de T’ai-chi die Insenzo aanreikt.
Wat doet T'ai-chi voor ons?
Door te werken aan de harmonie in het eigen innerlijk, werkt men aan harmonie met de omgeving.
Leven onder hoogspanning, drukte en bezigheden die de aandacht van onszelf afleiden, kunnen zorgen voor een disbalans in onze energiestroom. Ons lichaam geeft dit al snel aan, bijvoorbeeld door gespannen nek- en schouderspieren, slaapstoornissen, wisselende stemmingen of een gevoel van malaise.
Door dagelijks T’ai-chi te beoefenen wek je de “Chi” (energie) op. Hoe meer energie je opwekt, des te beter is de invloed op je bloedsomloop, je spijsvertering en je zenuwstelsel. Doordat je organen beter gaan functioneren, verdwijnen uiteindelijk veel vage klachten zoals bijvoorbeeld stress, slapeloosheid, concentratieproblemen en hoge bloeddruk.
T’ai-chi beïnvloedt ook de psyche. Het is heel goed mogelijk dat psychische blokkades en traumatische ervaringen zich door middel van spierspanningen vastzetten in het lichaam. Soms zijn het pijnlijke emotionele jeugdervaringen die verdrongen werden omdat ze voor een klein kind te overweldigend waren. Vaak is dat de bron van veel vage klachten en andere ziekteverschijnselen.
Tijdens de oefening is het mogelijk dat deze ervaringen zich weer in lichte vorm zullen openbaren. Emoties als woede, pijn, angst, verdriet, stress en agressie, maar ook luiheid en verveling kunnen de kop opsteken. Deze klachten zullen uiteindelijk minder worden en je zult je steeds sterker en krachtiger gaan voelen. Je krijgt een gezonde eetlust en je geest wordt weer rustig en ontspannen.
De 3 aspecten van T’ai-chi:
houding
aandacht
ademhaling
Houding
Door een verkeerde houding blokkeer je de energiestroom. Een voorbeeld is het staan met overstrekte knieën, met een holle rug of met opgetrokken schouders. Iedere spanning in het lichaam blokkeert een goede doorstroming van de Chi. Tijdens de les leer je de basishouding voor het goed uitvoeren van de bewegingen.
Ook je balans is heel belangrijk. Is je lichaam niet in balans, dan heb je extra spierspanning nodig om in evenwicht te kunnen blijven. Daardoor creëer je onbewust weer onnodige spanning elders in het lichaam.
Aandacht
Aandacht is nodig om je bewust te worden van jezelf en van je lijf. Door de trage bewegingen in de oefening ben je in staat om nauwkeurig bijna ieder onderdeel met volle aandacht te volgen. Ook dit is een belangrijk onderdeel van de les. De bewegingen op zich zijn vrij simpel en voor het lichaam eenvoudig uit te voeren. Maar de coördinatie en het aan elkaar rijgen van de bewegingen, uitgevoerd in de juiste houding, vragen je aandacht en concentratie. Dit heeft weer als gevolg dat zonder het te beseffen je concentratievermogen zich in de loop van de tijd aanmerkelijk verbetert.
Door het scherpen van je concentratievermogen ben je eerder in staat om in contact te komen met je gevoelens, zodat je uiteindelijk niet alleen vanuit je rationele geest het leven benadert, maar ook vanuit een diepe innerlijke beleving. Deze staat nog altijd dichter bij je ware zelf en biedt een bevredigender levenskwaliteit.
Tijdens T’ai-chi word je spelenderwijs bewust van je lichaam en ga je merken hoe je beweegt in je dagelijkse leven. Je zit bijvoorbeeld te lezen en je hebt niet door dat je constant je schouder- en nekspieren aangespannen houdt. Ook kan het bijvoorbeeld gebeuren dat je tijdens het eten gebruik maakt van je schouderspieren. Waar komt af en toe toch die hoofdpijn vandaan vraag je je dan af…?
ademhaling
Een juiste ademhaling is erg belangrijk voor de ontwikkeling van “Chi”. De ademhaling voorziet alle organen van verse zuurstof en beïnvloedt als zodanig de gehele stofwisseling. Er bestaan diverse ademhalingstechnieken, waarvan de buikademhaling één van de meest bekende is.
T’ai-chi is een aantrekkelijke, doordachte manier van bewegen die goed is voor lichaam en geest. Weliswaar van oorsprong een vechtkunst, is T’ai-chi in deze tijd een prima methode om vrede te vinden in de woelige golven van je leven en je gezondheid een stevige duw in de rug te geven. T’ai-chi is eenvoudig te leren, maar vraagt wel een beetje discipline en aandacht.
T’ai-chi nog even kort op een rij
T'ai-chi is oorspronkelijk een van de "zachte", "interne" vechtkunsten zoals Pa-Kua en Hsing-I, gebaseerd op de Chinese filosofie, waarbij wordt gestreefd naar de harmonisering van het individu met zijn omgeving.
T'ai-chi kenmerkt zich door cirkelende en vloeiende bewegingen, die het doel hebben om bij de beoefenaar innerlijke rust en energie op te wekken, waarmee hij aankomende stressfracturen (spanningen binnen het lichaam, spanningen vanuit de omgeving) kan ontwijken, neutraliseren en omleiden.
T'ai-chi is in principe defensief, het richt zich op het voorkomen en harmoniseren van stressfactoren.
T'ai-chi is een meditatieve techniek, om het lichaam en de geest in harmonie te brengen. Hierbij wordt vaak verwezen naar de Tao-te-ching en de I-Ching. De nadruk ligt op lichamelijke en geestelijke gezondheid van het individu. Men harmoniseert zichzelf.
Algemene T'ai-chi principes
Aandacht in de tan-t'ian (middelpunt van de buik)
Lichaam rechtop, ontspannen en in balans.
Beweeg later om eerder aan te komen
Met de wortels in de voeten, uitgevoerd door de benen, beheerst in het middel, gematerialiseerd in de handen
De kracht komt niet uit de handen, maar uit de voeten, wordt doorgegeven door de benen en beheerst door het middel.
T’ai-chi klassieken
De T'ai-chi klassieken (herontdekt in de 19de eeuw, toegeschreven aan Chang San-feng, 13de eeuw) leggen de nadruk op zelfverdediging en individuele zelfontplooiing. Een van de meest belangrijke hoofdstukken "het Lied van de Dertien Houdingen" beschrijft de dertien basis-technieken van T'ai-chi.
Cheng Man-ch'ing (verspreider van de Korte Vorm van de Yang-stijl, 20ste eeuw), gebruikte bij zijn "Dertien Verhandelingen over T'ai-Chi-Ch'uan" een indeling van hoofdstukken, die gebaseerd was op Sun Tzu, maar verlegde de nadruk van zelfverdediging naar zelfgenezing.
Sun Tzu zegt: "Ken jezelf en ken de ander":
Het beoefenen van de Vorm is de methode om jezelf te leren kennen: tijdens het zelfstandig uitvoeren van het vastgelegde bewegingspatroon leren we onszelf kennen.
T'ai Chi Ch'uan Ching
door Chang San-feng
In beweging
moeten alle delen van het lichaam
licht
wendbaar
en als een snoer parels onderling verbonden zijn.
De ademenergie (ch'i) moet gestimuleerd worden,
de geest (shen) moet innerlijk geconcentreerd zijn.
Laat de houding zijn zonder
vertraging of leemtes,
holtes of uitsteeksels,
of onderbreking en hervatting van vorm.
De beweging moet in de voeten geworteld zijn,
doorgegeven door de benen,
gecontroleerd door het middel,
en uitgedrukt door de vingers.
De voeten, de benen en het middel
moeten gelijktijdig handelen als één geheel,
zodat bij het naar voren of naar achteren stappen
keuze van moment en positie juist zijn.
Als het moment van handelen en de positie niet juist zijn,
raakt het lichaam in wanorde,
de fout moet dan gezocht worden
in de benen en het middel.
Naar boven of beneden,
voren of achteren,
links of rechts, het komt steeds op hetzelfde neer.
Het gaat steeds om bewustzijn (i)
en niet om uiterlijke beweging.
Wanneer er omhoog is, is er omlaag;
wanneer er vooruit is, is er achteruit;
wanneer er links is, is er rechts.
Wanneer i naar omhoog wil,
impliceert het tegelijkertijd
naar omlaag.
Door de techniek
van trekken en duwen af te wisselen,
raakt het voorwerp ontworteld
en kan men het snel omgooien,
zonder enige twijfel.
Leeg en vol
moeten duidelijk onderscheiden worden.
Eén plaats
bevat het aspect van leegte en volheid;
iedere plaats
bevat op dezelfde manier leegte en volheid.
Alle delen van het lichaam zijn aaneengeregen
zonder de minste onderbreking.
Ch'ang Ch'uan (T'ai Chi Ch'uan)
is als een machtige rivier
die ononderbroken voortstroomt.
Afweer (p'eng), terugdraaien (lu),
drukken (chi), duwen (an),
trekken (ts'ai), splijten (lieh),
elleboogstoot (tsou), schouderstoot (k'ao),
zijn de acht trigrammen.
Stappen naar voren, stappen naar achteren,
kijken naar links, kijken naar rechts,
en centraal evenwicht
zijn de vijf elementen.
Afweer (p'eng), terugdraaien (lu), drukken (chi), duwen (an),
zijn de hemel (ch'ien), de aarde (k'un),
het water (k'an), het vuur (li),
en zijn eveneens de vier hoofdrichtingen.
Trekken (ts'ai), splijten (lieh), elleboogstoot (tsou), schouderstoot (k'ao)
zijn de wind (sun), de donder (chen),
het meer (tui), de berg (ken),
en zijn de vier diagonale richtingen.
Stappen naar voren, stappen naar achteren,
kijken naar links, kijken naar rechts,
en centraal evenwicht
zijn metaal, hout, water, vuur en aarde.
Samen
omvatten zij de dertien houdingen.
Korte Yang stijl
De meest bekende vorm in het Westen is de Korte Vorm (Yang-stijl) van Ch'en Man-Ch'ing, omdat hij als een van de eersten T'ai-chi beschikbaar stelde voor mensen in het westen. De Korte Vorm bestaat uit 37 houdingen, uitgevoerd in hetzelfde trage tempo.
De Korte Vorm is afgeleid van de Lange Vorm (Yang-stijl). De Lange Vorm is op haar beurt een afgeleide van de Ch'en-stijl. De Ch'en-stijl is de oudste bekende vorm van T'ai-chi, bestaande uit (variaties van) de dertien houdingen samen met diverse andere technieken (die waarschijnlijk zijn overgenomen van andere Shaolin en Wudang stijlen).
We zien in de hele geschiedenis van T’ai-chi voortdurende aanpassingen van de traditie, waarbij de "harde" aspecten (de martiale toepassingen) in de loop van de tijd plaats maken voor de "zachte" aspecten (gezondheid, revalidatie); tegelijkertijd ontstaat er ook een trend om de vorm te vereenvoudigen.
Bij de Korte Vorm zijn een groot aantal herhalingen van houdingen uit de Lange Vorm weggelaten en een aantal bewegingen is vereenvoudigd.
Interpretatie
Elke leraar interpreteert de traditie op eigen wijze. Bij Insenzo leggen we de nadruk op de volgende aspecten:
• De 37 houdingen van de korte Yang-stijl vormen de rode draad voor een ontdekkingsreis naar jezelf.
• Autonomie van de deelnemers: het is belangrijk dat men in staat is om enerzijds de oefeningen zelfstandig in zich op te nemen, en om anderzijds elkaar te helpen om samen de oefeningen uit te werken.
Wu-chi [basishouding]
Voeten recht naar voren op schouderbreedte.
Knie licht gebogen.
Bekkenbodem heel licht aanspannen.
Staartbeen naar beneden (= onderrug wat rechter dan normaal), alsof je zit.
Wervelkolom recht en met ruimte tussen de wervels.
Schouders ontspannen.
Ruimte onder de oksels.
Armen en handen los en ontspannen.
Kin ietsje ingetrokken.
Gezicht ontspannen, o.a. kaken los.
Tongpunt rust tegen gehemelte achter boventanden.
Hoofd rechtop alsof de top aan een draad hangt.
Ogen open, kijk ongefocust richting horizon.
Er is een alerte heldere ontspanning : overal is aandacht, vooral in de tan-t'ian.
Probeer in deze houding de ademhaling te volgen: waar in je lijf voel jij jouw ademhaling.
Bronnen: Hedy Miranda-www.TaiChiKung.nl | www.geocities.com/hgoei/taichi.html
Meer achtergronden over T’ai-chi
Onder T’ai-Chi, vaak ook geschreven als Tai-Ji wordt verstaan een reeks van traditionele Chinese lichaamsoefeningen waarvan de kenmerken zijn: vloeiende bewegingen, een harmonieuze ademhaling en een geestelijke concentratie, dit alles tegen een bepaalde filosofische achtergrond. Het gehele organisme van de mens wordt erdoor versterkt, ziektes en kwalen worden voorkomen en de meditatie wordt verdiept.
De betekenis van het begrip Tai-Ji kent verscheidene interpretaties:
In de Taoïstische filosofie betekent Tai-Ji (of Tai-Chu) de oertoestand zoals die was voor het ontstaan van de huidige kosmos. In wezen dus de oorsprong van hemel en aarde, de Yin en de Yang. De naam Quan betekent `vuist' en daarmee wordt bedoeld de ongewapende gevechtskunst. De herkomst van Tai-Ji-Quan als lichaamstraining is te vinden in de gevechtstraining. Vele bewegingen in Tai-Ji-Quan zijn dan ook te herkennen als elementen die een rol spelen bij de zelfverdediging. Tai-Ji betekent hier in de eerste plaats: datgene wat het allereerste respectievelijk het allerhoogste is. Daarmee wordt bedoeld te zeggen dat Tai-Ji de allerbeste mogelijkheid is, de hoogste kunst van de lichamelijke oefening. En inderdaad kan men door een consequent beoefenen van Tai-Ji-Quan ziekten voorkomen of behandelen.
De harmonieuze bewegingen gaan vloeiend in elkaar over waardoor het ook esthetisch een genot is te zien hoe een Tai-JiQuan oefening beheerst wordt uitgevoerd. Bij Tai-Ji-Quan is het van groot belang dat het lichaamsgewicht in een vloeiende beweging overgebracht wordt naar de voeten en weer terug in een wisselend spel zonder plotselinge overgangen. Bij deze bewegingen blijft het bovenlichaam los en lichtjes, terwijl het onderlichaam en de benen steeds vast en stevig blijven staan, echter niet star.
De belangrijkste grondelementen zijn:
- Het sterke en harde overwinnen door het zwakke en zachte.
- Iets met een gewicht van een ton overmeesteren met een gewicht van een ons.
Doorgaans hebben de Tai-Ji-Quan bewegingen de vorm van een boog, dus rond, en dat komt overeen met de filosofie van Yin & Yang. Het Yin belichaamt het vrouwelijke, het donkere, het zachte en het negatieve, terwijl het Yang het tegenovergestelde daarvan is, namelijk het mannelijke, het heldere, het harde en het positieve. Deze beide grondslagen vindt men terug in het Tai-Ji-symbool, ook wel genoemd de Tai-Ji-monade, waarmee de naamgeving naar alle waarschijnlijkheid verklaard kan worden.
Ontstaan en ontwikkeling
Er bestaan zeer uiteenlopende meningen over hoe Tai-Ji-Quan ontstaan is en tot ontwikkeling kwam. Eén van die versies gaat over het verhaal van de oude Taoïstische priester Zhang SanFeng, die op de heilige berg Wu-Dang een droom had waarin de legendarische keizer Xuan-Wu verscheen om hem het Tai-Ji-Quan te openbaren. Hecht men geloof aan deze legende dan is Tai-JiQuan inderdaad een geschenk van de goden. Maar op grond van de momenteel beschikbare historische gegevens moet men er eerder van uitgaan dat de Chenclan, afkomstig uit de provincie HeNan, het Tai-Ji-Quan ontwikkeld en verbreid heeft. Echter in een vorm
die enigszins afwijkt van de huidige. Het door Chen Wang-Ting (die aan het einde van de 17e eeuw leefde) overgeleverde Chang-Quan (het `lange' boksen) is genoemd naar de grote rivier van China, de Chang-Jiang (de Jangtse-Kiang), vanwege de eindeloze, gelijkmatige bewegingen van deze rivier.
In de afgelopen eeuw hebben zich diverse grote veranderingen voorgedaan in het Tai-Ji-Quan en dan vooral wat betreft de aard en de manier van de uitvoering in de praktijk. De meest explosieve en krachtigste elementen verdwenen en overgebleven zijn de lichtvoetige en meer plezierige onderdelen. Op deze wijze kunnen nu niet alleen getrainde boksers of andere sporters zich vertrouwd maken met Tai-Ji-Quan, maar is het ook toegankelijk geworden voor kinderen, ouderen en ongeoefende, ja zelfs ook voor gehandicapten. Daarmee wordt het belang van Tai-Ji-Quan als een manier om ziekten en kwalen te voorkomen en dus de gezondheid te bevorderen steeds groter.
De invloed van Tai-Ji-Quan op het menselijk organisme
Reeds heel lang was het in China bekend dat men ziekten kan voorkomen of behandelen door middel van lichamelijke oefeningen. In de oudste literatuur over Chinese geneesmethodes, het Huang-Di Nei-Jing (een verhandeling over de geneeswijze van de Gele Keizer) wordt geschreven over de behandeling en het voorkomen van ziekten door Dao-Yin, ook wel geschreven als Do-In. Het gaat hierbij om een heel oude Chinese geneesmethode, een combinatie van gymnastiek en ademhaling. De beroemde arts Hua-Tuo stelde 1800 jaar geleden reeds een heilgynastiekmethode samen, Wu-Qin-Xi, die hij zijn patiënten voor hun gezondheid voorschreef. De gymnastiek was gebaseerd op de imitatie van bewegingen van de volgende vijf dieren: de beer, het hert, de adelaar, de tijger en de aap.
Deze Hua-Tuo was van mening: `Als de mens lichamelijk actief is, dan kan het Qi van het graan goed door het lichaam verwerkt worden en kan de bloedsomloop vlot circuleren. Daardoor kan men ziekten vermijden, want de mens is als het schamier van een huisdeur: bij veelvuldig gebruik zal dit niet roesten.'
Onlangs deed het Onderzoeksinstituut voor de Sportgeneeskunde in Peking een aantal onderzoeken naar de medische betekenis van het Tai-Ji-Quan. Daaraan namen 88 mensen deel in de leeftijd van 50 tot 89 jaar van wie 32 personen een Tai-Ji-Quan ervaring hadden van vele jaren terwijl de resterende personen die helemaal niet hadden. Aan de hand van de resultaten bleek dat degenen met Tai-Ji-Quan ervaring wat betreft constitutie, hartslag, bloedsomloop, ademhaling, stofwisseling en opbouw van het skelet in een veel betere conditie verkeerden dan de anderen.
Invloeden op het zenuwstelsel
Zoals bekend regelt en dirigeert het centrale zenuwstelsel de individuele bewegingspatronen, de coördinatie van diverse bewegingen en de evenwichtsfunctie. Maar ook andere lichaamsfuncties van het organisme van de mens worden gestuurd, bijvoorbeeld door stimulatie of prikkeling van de grote hersenschors. Het centrale zenuwstelsel is het centrale orgaan voor het regelen en coördineren van de diverse functies van de verschillende inwendige organen. Nog een ander punt is dat de mens via zijn zintuigen de omgeving en de veranderingen daarin waarneemt en zich daarbij dan aanpast door regulaties via de reflectorische reacties van het zenuwstelsel.
Bij het beoefenen van Tai-Ji-Quan wordt grote waarde gehecht aan `een rustig hart en het zich laten leiden door de wil'. Dat wil zeggen dat men kalm en rustig moet zijn en men de bewegingen moet uitvoeren met grote, mentale aandacht. Voert men de bewegingen bewust en weloverwogen uit dan kunnen storende factoren - zoals gedachten die iemand in de war brengen - vermeden worden. Dan worden de activiteiten van de grote hersenen hoofdzakelijk geconcentreerd op de motorische centra in de grote hersenschors, dus op een klein gebied.
De activiteiten in de overige gebieden van de grote hersenschors worden voor een groot deel geremd. Op deze wijze kan men zich, terwijl men toch lichamelijk zeer actief is, ontspannen en zijn vermoeidheid weer snel de baas worden. Gelijktijdig wordt het concentratievermogen door een bewust sturen en een volledige aandacht voor de uitvoering en de coördinatie van de Tai-Ji bewegingspatronen getraind en op een hoger peil gebracht.
Het beoefenen van Tai-Ji-Quan bevordert aldus de coördinatie van de bewegingen van de verschillende lichaamsdelen en organen zoals de armen, de romp, de benen en de ogen. De afzonderlijke bewegingen moeten vloeiend met elkaar verbonden worden. Veel figuren zijn opgebouwd uit verschillende, zeer gecompliceerde bewegingen en het uitvoeren daarvan vraagt dan ook om een grote vaardigheid wat coördinatie en het bewaren van het evenwicht betreft, maar dit alles leidt wel tot een betere regulatie van de functies van de verschillende organen en andere lichaamsonderdelen.
Tai-Ji-Quan is een lichaamsoefening waardoor men zich beter gaat voelen. Het maakt daarbij niet uit of men de hele oefening doet of alleen maar enkele onderdelen daarvan. Want men voelt zich altijd na zulke oefeningen zowel lichamelijk als geestelijk ontspannen. Bovendien worden de lichamelijke en geestelijke reactievermogens ermee opgevoerd. De beoefenaar verkrijgt op die manier een bijna sprankelende fitheid.
Het psychisch zich beter voelen heeft ook een bijzonder positieve uitwerking op de algemene fysiologische gesteldheid van het gehele organisme. Talrijke onderzoeken en proeven hebben aangetoond dat een opgewekte stemming bijzonder positief uitwerkt op de verschillende fysiologische processen in het lichaam zoals de stofwisseling, bloedsomloop en dergelijke.
Ook mensen met chronische ziekten krijgen op die manier een meer positieve instelling en dat bevordert weer hun actieve deelname aan de therapie en maakt de bereidheid groter meer verantwoordelijkheid op zich te nemen. In het algemeen komt dat neer op een grotere kans te genezen of althans een flinke conditieverbetering.
Invloeden op de ademhaling
Iedereen kan bij zichzelf vaststellen dat men moeilijker of zelfs nauwelijks kan ademhalen als de borst, de rug, de schouders of armen gespannen zijn. De mate
waarin dit optreedt is omgekeerd evenredig aan de grootte van de spanningsdruk. Bij Tai-Ji-Quan is een bepaalde lichaamshouding voorgeschreven die bestaat uit los afhangende schouders, opgeheven hoofd, bovenlichaam in een natuurlijke stand rechtop, ontspannen borst en het richten van het bewustzijn op het Dan-Tian in de
buik. De ademhalingstechniek die daarbij doorgaans toegepast wordt is de ademhaling via het middenrif (buikademhaling). Hierbij moet men, onverschillig welke techniek men precies toepast, in elk geval diep, rustig, gelijkmatig en langzaam ademhalen en dat moet in harmonie zijn met de bewegingen die men op dat moment uitvoert.
Deze typische lichaamshouding, deze bewuste manier van ademhalen, samen met de rustgevende bewegingen vol harmonie van het Tai-Ji-Quan verhogen de elasticiteit van borst en longweefsel en dat verhoogt en verbetert heel duidelijk de longcapaciteit. Is men enige tijd met Tai-Ji-Quan bezig dan gaat de ademhalingsfrequentie omlaag, de longcapaciteit omhoog en na een lichamelijke inspanning is men lang niet zo snel kortademig als eerst.
Invloeden op de bloedsomloop
Via de uitwerking op het zenuwstelsel en door de middenrifademhaling heeft Tai-Ji-Quan ook een positief effect op de bloedsomloop. Door de betere regulerende invloed op het zenuwstelsel, vooral ook wat betreft de grote hersenschors en de nervus vagus wordt de bloedtoevoer naar het hart verbeterd en kan het hart krachtiger contraheren, waardoor ook de hartcapaciteit en de heamodynamiek van de bloedsomloop vergroot wordt.
Gelijktijdig leidt de middenrifademhaling tot een constante verandering van druk in de buikholte. Als de druk in de buikholte toeneemt kan het bloed in de aderen beter terugvloeien in de rechter hartkamer en terwijl de druk vermindert kan het bloed in de hartslagader vanuit de linker hartkamer beter via de aorta terugstromen in de bloedsomloop. Dit bevordert de bloedsomloop en daar komt nog bij dat door het beoefenen van Tai-Ji-Quan de vaatwanden elastischer worden en wanneer dan de spieren en gewrichten enigszins belast worden ondergaat men een gevoel van algemene lichamelijke en geestelijke ontspanning. Daarbij gaat de bloeddruk omlaag en wordt de lymfecirculatie versneld. Door dit alles wordt het hart enorm ontlast. Daarom functioneert het hart van mensen die een Tai-Ji ervaring van vele jaren hebben veel beter dan dat van mensen zonder die ervaring. Bovendien hebben zij minder last van hypertonie (hoge bloeddruk) en arteriosclerose (aderverkalking).
Invloeden op de spijsvertering
De activering en regulering van het centrale en vegetatieve zenuwstelsel door Tai-Ji-Quan zorgt er onder meer ook voor dat de spijsvertering beter functioneert. De peristaltiek (darmbewegingen), de secretie (de afscheiding van maag- en darmsappen) en de resorptie (opnamemogelijkheden) van het slijmvlies van de dunne en dikke darm worden daardoor in positieve zin beïnvloed. Bovendien gaat van de middenrifademhaling een mechanische stimulatie (als een soort `zelfmassage') uit op het spijsverteringskanaal. Tegelijkertijd verbetert de bloedsomloop in de verschillende inwendige organen en dit heeft ook weer een positief effect op de spijsvertering. Om al deze redenen is Tai-Ji-Quan een uitstekend hulpmiddel voor het voorkomen en behandelen van al die gevallen waarin sprake is van een niet goed functioneren van de spijsvertering zoals het hebben van een opgeblazen gevoel, malabsorptie (problemen bij de opname in het bloed van voedingsstoffen via de darmvlokken) en obstipatie (verstopping).
Invloeden op de stofwisseling
Momenteel zijn er nog maar weinig resultaten bekend over de invloed van Tai-Ji-Quan op de stofwisseling. Maar op basis van klinische observaties kan men met vrij grote stelligheid beweren dat de opname in het lichaam van vetten, eiwitten, koolhydraten, kalium en fosfaat gunstig beïnvloed wordt door Tai-Ji-Quan. Net zoals dat bij de spijsvertering het geval is speelt ook hier de positieve invloed op het centrale zenuwstelsel met daardoor een beter functioneren van de verschillende organen een belangrijke rol. Daar komt nog bij dat de ademhaling via het middenrif de doorbloeding en het functioneren van organen als lever, nieren, en bijnieren verbetert.
Ten slotte draagt de grotere lichamelijke activiteit, opgeroepen door de harmonieuze Tai-Ji-Quan bewegingen, bij aan een verbetering van de stofwisselingsfunctie in het algemeen. Is men enkele maanden met Tai-Ji-Quan bezig dan bemerkt men al een duidelijke vermindering van de concentratie van globulinen en cholesterol in het bloed en een gelijktijdige verhoging van de eiwitconcentraties. Ook dit kan zeer zeker gezien worden als een voordeel bij de behandeling en het voorkomen van arteriosclerose.
Invloeden op de bewegingsorganen
Als men Tai-Ji-Quan beoefent gaat men de wervelkolom rechtop houden, het bekken gaat enigszins voorover en omhoog waardoor de lendenwervels min of meer loodrecht op het heiligbeen komen te staan. Een groot aantal Tai-Ji-Quan bewegingen worden ingezet vanuit de heupen waarbij de wervelkolom dan meegenomen wordt. Deze bijzondere stand van de wervelkolom en de aard en manier van bewegen werken positief op de wervelkolom en daarom hebben degenen die Tai-Ji-Quan al geruime tijd beoefenen vaak weinig last van vervormingen van de wervelkolom. Hierbij is te denken aan kwalen zoals lordose (holle rug), scoliose (zijwaartse kromming) of kyfose (achterwaartse kromming) of een wegens ouderdom ontstane kromme rug.
Een ander typisch kenmerk van Tai-Ji-Quan, namelijk de vloeiend uitgevoerde, niet hoekige bewegingen, is dat een groot aantal spieren daardoor geactiveerd worden en wel in die zin dat deze spieren, zonder dat ze te veel belast worden, steeds sterker, soepeler en elastischer worden en blijven. De op deze wijze geactiveerde spieren oefenen ook een gunstig effect uit op het beendergestel omdat de bloedtoevoer naar de beenderen verbeterd c.q. gestimuleerd wordt, en dit gunstige effect wordt nog eens versterkt door de reeds gememoreerde verbeteringen in de spijsvertering en de stofwisseling. Het beendergestel wordt ook steviger omdat de botten meer kalk opnemen.
De gewrichten met de aangehechte spieren en banden worden door de typische Tai-Ji-Quan bewegingen optimaal getraind en worden of blijven daardoor stevig, maar tegelijkertijd ook elastisch en soepel.
Tai-Ji-Quan als meditatie
Door te mediteren probeert men in een toestand te geraken waarin men zo mogelijk geheel vrij van gedachten is. In deze toestand van vredige rust en een volledig gedachteloos zijn tracht men tot een nieuwe, geestelijke creatieve prestatie te komen door het eigen innerlijk aandachtig te beschouwen. Dan staat de weg open naar een ruimer bewustzijn, diepere gedachten en klare intuïtie. Het streven om in een toestand te komen waarin men zoveel mogelijk vrij van gedachten is kan gezien worden als een gedachteproces. Deze paradox komt overeen met de Yin-Yang principes van de Taoïstische filosofie: de toestand van gedachteloosheid is het Yin (passief principe) en het actieve gedachteproces is Yang (actief principe). Het Yin en Yang zijn afhankelijk van elkaar, maar de mate waarin is afhankelijk van het moment op zich. In Yin is ook altijd iets aanwezig van Yang. Zelfs in een toestand van verdiepte rust en meditatie (Yin) moet men onder andere bewust de eigen ademhaling blijven regelen en men moet ook alle aandacht concentreren op het afdalen van het Qi in het Dan-Tian (Yang). Anderzijds omvat Yang ook altijd iets van Yin. Om de genoemde activiteiten zinvol uit te kunnen voeren (Yang), heeft men rust en kalmte nodig (Yin).
Zo gauw als men van deze principes afstapt is er geen leven meer. Eveneens kan men nauwelijks het denken verbieden zolang er leven is. Gedachten komen altijd op, bewust of onbewust. Wil men om te kunnen mediteren een toestand bereiken waarin men relatief vrij van gedachten, is dan zal men eerst moeten aanvaarden dat men nooit helemaal zonder gedachten is. Maar pas wanneer men ruimte schept in het eigen bewustzijn zullen die gedachten niet meer storend zijn en vaak verdwijnen ze dan vanzelf.
Het effect van Tai-Ji-Quan als middel om te mediteren ligt vooral daarin dat iemand die in volle concentratie de Tai-Ji-Quan oefeningen doet en daarbij dus de ademhaling op de voorgeschreven wijze regelt en ook Qi laat afdalen in het Dan-Tian in het onderlichaam als vanzelf de noodzakelijke voorwaarden om te kunnen mediteren vervult, namelijk de uitschakeling van storende factoren die zowel van binnenuit als van buitenaf kunnen komen.
Andere kenmerken van Tai-Ji-Quan zoals het zich losmaken en de ontspannen, rechte lichaamshouding, de ingehouden bewegingen en de juiste wijze om adem te halen zijn even zovele gunstige factoren voor de meditatie. De typische lichaamshouding met gestrekte wervelkolom en licht gebogen knieën, die voor veel beginners heel ongewoon is, is voor het gehele lichaam heel goed. Na een bepaalde aanpassingsperiode voelt men zich veel meer ontspannen.
Het wat losser worden van de gewrichten en de spieren, kortom het minder gespannen zijn van het hele lichaam, samen met een goede ademhalingstechniek en dit alles gecombineerd met soepele bewegingen bezorgen de Tai-Ji-Quan beoefenaar een gevoel van welbehagen dat voor de ziel rustgevend en verkwikkend is. Door deze totale geestelijke en lichamelijke ontspanning bereikt men een toestand van grote harmonie. Om deze redenen heeft Tai-Ji-Quan, ondanks de nodige lichamelijke inspanning - of misschien wel juist daardoor - een gunstig effect op iemands vaardigheid zich geestelijk te verdiepen, bij zichzelf `naar binnen te kijken' om op die manier met zichzelf in het reine te komen.
Wil men zover komen dan moet men, afgezien van te voldoen aan Je voor de meditatie normaal geldende eisen zoals een rustige plaats, frisse lucht, aangenaam licht, losse kleding enz., in elk geval ook op de voorgeschreven wijze zich wijden aan de Tai-Ji-Quan bewegingen.
Daaronder zijn dan te verstaan zaken als:
- de juiste lichaamshouding
- soepele bewegingen
- een goed op elkaar afgestemde coördinatie van de bewegingen van de verschillende lichaamsdelen
- figuren die iets te betekenen hebben
- vloeiende overgangen bij het verplaatsen van het lichaamsgewicht, zowel bij de elkaar opvolgende figuren als bij de fasen
- een doelbewuste uitvoering van de bewegingen
- de juiste ademhalingstechniek
- het afdalen van het Qi in het Dan-Tian .
Ook hier geldt, precies als bij andere vormen van meditatie, dat men de diepere stilte pas kan bereiken als het mediteren zelf - hier de uitvoering van de vorm - geen inspanning meer oplevert. Hoe beter de vorm beheerst wordt, des te minder moeite zal de beoefenaar hebben om deze innerlijke stilte in de beweging als doel te bereiken. Ongetwijfeld zal men maanden, misschien wel jaren nodig hebben voordat men de vorm correct kan uitvoeren. De weg naar het doel is lang en moeizaam. Maar als men die weg inslaat komt dat doel, hoe ver verwijderd ook, bij elke stap nader en nader.
De weg zelf is het doel. Het harde werken zal beloond worden. Als men de vorm geduldig en kalm beoefent zal men die in de loop van de tijd steeds beter kunnen uitvoeren. Ook al zal de hoogste perfectie nauwelijks te bereiken zijn, toch zullen met elke oefening lichaamshouding, de bewegingen en het doelbewust sturen van de ademhaling en het Qi steeds beter worden.
Hoogste volmaaktheid schijnt onvolkomen te zijn, doch de toepassing ervan is onuitputtelijk. De grootste volheid schijnt leeg te zijn, maar de bruikbaarheid ervan is eindeloos. De grootste oprechtheid schijnt vals te zijn, de grootste behendigheid schijnt onbeholpen te zijn. De slagvaardigste redenaarskunst schijnt moeizaam te zijn. Rust overwint de chaos, koude zegeviert over de hitte rust en kalmte zijn voorbeelden voor ons allen. (Tao-Te-King, hoofdstuk 45)
Door de vorm steeds beter te leren beheersen zullen de figuren steeds meer winnen aan uitdrukking. Pas in deze fase kan de geestelijke inhoud van het Tai-Ji-Quan volledig tot zijn recht komen en zal men via het eigen lichaam het Yin-Yang-principe en het afdalen van het Qi in het Dan-Tian aanvoelen en begrijpen.
Juist in het Tai-Ji-Quan worden de bedoeling en de betekenis van het Yin-Yang-principe volledig duidelijk:
- Belasten en ontlasten
- Geven en nemen
- Verzachten en harden
- Zich terugtrekken en naar voren gaan
- Meegeven en aantrekken
Precies zo is het ook met het afdalen en het vasthouden van het Qi in het Dan-Tian.
De poging om het gehele bewustzijn (Qi) in het middendeel van het lichaam (Dan-Tian) vast te houden betekent tegelijk ook het zoeken naar het evenwicht tussen geest en ziel. De Chinezen zien dat onder meer ook als evenwicht tussen Yin en Yang, de harmonie dus tussen lichaam en ziel, de balans van het menselijk geheel.
Onder meditatie mag echter niet verstaan worden dat wij ons uit de wereld, waarin wij leven, terugtrekken. Veeleer is onder meditatie te verstaan de mogelijkheid zichzelf te vinden om zodoende in deze wereld een bewust leven en de ware menselijke existentie te verwezenlijken. Het Yin-Yang-principe en het eigen midden, dat men bij de meditatie door Tai-Ji-Quan gevonden heeft, moet men ook in de dagelijkse praktijk van het leven toepassen. Alleen dan kan men wat men in het innerlijk gewonnen heeft (het Yin) in overeenstemming brengen met hetgeen men in de wereld, buiten het lichaam, doet (het Yang).
Door de meditatie wordt het Yin gesterkt en door de praktische toepassing wordt het Yang bevestigd. De harmonie tussen dit Yin (innerlijk inzicht) en dit Yang (het doen en laten in het leven) maakt dan ook een stabiel midden in de gehele mens mogelijk. Dit komt geheel overeen met het Dao. Hieronder wordt in de Taoïstische filosofie de werkelijke realiteit van het mens zijn verstaan.
Als de ziel en het lichaam harmonisch verenigd zijn, kun je dan het een van het ander scheiden? Als je door overgave de volledige stilte in je innerlijk bereikt hebt, kun je je dan gedragen als een pasgeboren kind? Als je alle verwarde gedachten hebt opgeruimd en met jezelf in het reine bent, kun je dan zonder smetten zijn? Wanneer je van je volk houdt en je je land wilt dienen, kun je dan in staat zijn om niets te doen? Als je je omgeving door middel van je vijf zintuigen waarneemt, kun je dan blijven staan zonder mee te doen? Als je met alle zaken van je medemensen vertrouwd bent en voor
hen openstaat, kun je dan onberoerd blijven? (Tao-Te-King, hoofdstuk 10)
De basisprincipes van het Tai-Ji-Quan
De karakteristieken
In het algemeen kan men Tai-Ji-Quan omschrijven aan de hand van de volgende kenmerken:
Bij Tai-Ji-Quan is de houding van het lichaam rechtop, maar wel ontspannen. De afzonderlijke bewegingen worden harmonieus, maar niet stijf of star uitgevoerd. Op enkele uitzonderingen na behoeft men daarbij niet plotseling een andere houding aan te nemen of hoge sprongen te maken. Deze bewegingen zijn daarom in volle harmonie met de fysiologische eigenschappen van het menselijk organisme. Na een of twee ronden Tai-Ji-Quan is er behalve een lichtjes transpireren nauwelijks sprake van kortademigheid of andere tekenen van een teveel aan inspanning. Men voelt zich daarna in het algemeen lichamelijk en geestelijk opgefrist.
Daarom ook is Tai-Ji-Quan uitstekend geschikt als training voor het gehele organisme en dit geldt voor iedereen, onverschillig leeftijd, geslacht of constitutie. In het bijzonder is het geschikt voor chronisch zieken of mensen met een zwakker geworden organisme.
Alle bewegingen in een Tai-Ji-Quan oefening hebben van begin tot einde met elkaar te maken. Alle bewegingen gaan vloeiend in elkaar over en vormen met elkaar één samenhangend geheel. Ook als er sprake is van een andere houding of een verplaatsing van het lichaamsgewicht en bij de overgang van twee op elkaar volgende figuren is er op geen enkel moment een stilstand van de beweging.
Voert men Tai-Ji-Quan correct uit dan zijn de bewegingen gelijkmatig en volgen ze elkaar harmonisch op: een beeld als schuivende wolken en oneindig vloeiend water.
In tegenstelling tot wat gebruikelijk is bij andere kunsten van zelfverdediging worden bij Tai-Ji-Quan rechtlijnige bewegingen vermeden. Vooral met de armen worden hoofdzakelijk bewegingen in de vorm van een boog uitgevoerd. Dit past geheel bij de natuurlijke bewegingen van de menselijke gewrichten. Door zulke boogvormige bewegingen ontstaat niet alleen een voor Tai-JiQuan typische bewegingsvorm, maar worden ook alle gewrichten en lichaamsdelen op een natuurlijke wijze getraind en verder ontwikkeld.
COORDINATIE VAN HET GEHELE LICHAAM
Of men nu een hele serie oefeningen doet of alleen een gedeelte, de verschillende elementen waaruit Tai-Ji-Quan bestaat moeten vlekkeloos gecoördineerd worden. De afzonderlijke bewegingen die de armen maken moeten op die van de benen afgestemd zijn. De bewuste sturing van de geest enerzijds en de diepe ademhaling met de bijbehorende lichaamsbewegingen anderzijds moeten met elkaar een eenheid vormen. Omdat de bewegingen van de armen en benen tegelijkertijd ook vanuit de romp (schouders en heupen) komen, moeten ook die bewegingen als een ritssluiting bij die andere passen. Dit betekent dat de arm- en beenbewegingen synchroon moeten lopen omdat ze anders stijfjes en wat stotend worden.
Criteria voor het beoefenen van Tai-Ji-Quan
Wat in het voorgaande gezegd is resulteert in de volgende in acht te nemen criteria:
BEWUSTE STURING
Alle bewegingen van het lichaam, uitgezonderd de reflectorische reacties, worden vanuit het bewustzijn gedirigeerd. Dit is ook het geval bij het totale bewegingsproces van het Tai-Ji-Quan. Daarbij speelt niet alleen het concentratievermogen een rol, maar ook het voorstellingsvermogen. Hierbij het volgende voorbeeld: Bij Het Begin (Qi-Shi) van de eerste figuur, worden de beide armen langzaam naar voren gebracht op schouderhoogte. Daarbij mogen de armen niet gestrekt bewogen worden, maar is het eerder zo dat men de beweging van de armen eerst in gedachten voor zich ziet en pas daarna voert men die bewegingen langzaam en ontspannen uit. Dit geldt ook voor alle andere bewegingen. Ook die moet men eerst in de geest, mentaal dus, uitvoeren alvorens dat in werkelijkheid te doen. De kenmerkende bewegingsuitvoeringen van het Tai-Ji-Quan kunnen alleen gerealiseerd worden als dat bewuste sturen ook inderdaad daar op gericht is. Vandaar de zegswijze: `De geest (het bewustzijn) leidt het lichaam' of `Als de gedachte op gang is, volgt het lichaam'. Om aan deze voorwaarde te voldoen, moet men op de volgende twee punten letten:
Houding
Reeds bij de uitgangshouding van het Tai-Ji-Quan moet men rustig en volledig geconcentreerd zijn. Men mag zich in gedachten niet met andere zaken bezighouden. Men controleert heel rustig of
- de houding van hoofd en romp de juiste is
- de schouders en armen ontspannen zijn
- de ademhaling rustig en niet gespannen is
Pas als aan deze vereisten voldaan is begint men met Tai-Ji-Quan.
Een dergelijke voorbereiding is van wezenlijk belang om ervoor te zorgen dat de rust blijvend in alle bewegingen geïntegreerd wordt. Alleen als men zich de tijd gunt en rustig blijft, kan men tot de noodzakelijke concentratie komen en de afzonderlijke bewegingen tot in alle details goed uitvoeren. Is dit niet het geval dan is er het gevaar dat de bewegingen ongelijkmatig of verkeerd uitgevoerd worden of dat men de figuren door elkaar haalt. Daarom zegt men: `Rust stuurt de beweging en bij actie wordt de rust bewaard.'
Aandacht
Naast kalmte en rust moet bij Tai-Ji-Quan alle aandacht gericht zijn op de beweging zelf en de uitvoering daarvan. Deze volledige concentratie moet doelbewust worden beoefend. Tijdens het oefenen mag men beslist niet aan iets anders denken of wat gedachteloos om zich heen kijken. In het begin vergeet men dat nog wel eens al te gemakkelijk en laat men zich afleiden omdat men te veel in beslag wordt genomen door de elementen van de oefening en het coördineren daarvan. Pas na veel en langdurig oefenen komt men heel langzaam zover dat het bewustzijn het lichaam dirigeert en het denken synchroon is aan de beweging.
ONTSPANNING & KRACHTSINSPANNING
Bij Tai-Ji-Quan gaat het om het ontspannen van de gehele mens. Dat betekent niet dat het lichaam slap of futloos moet zijn, maar dat alle spieren en gewrichten losjes en ontspannen zijn wanneer het lichaam in een bepaalde houding moet komen. De bewegingen zelf dienen noch star noch moeizaam te zijn en moeten niet blijven `hangen'. De wervelkolom blijft rechtop in een natuurlijke houding zodat hoofd, romp, armen en benen op natuurlijke wijze ontspannen zijn en vrij bewogen kunnen worden. Daarbij wordt het bovenlichaam ontspannen rechtop gehouden. In geen geval mag men naar voren of naar achter, naar links of naar rechts buigen. Men moet net zoveel kracht aanwenden als nodig is voor een goede en stabiele lichaamshouding. Deze goed gedoseerde kracht noemt men Jing (de `directe' of `innerlijke' kracht). Ook als de armen boogvormig bewegen en de benen in een bepaalde hoek gebogen zijn, blijft de lichaamshouding zo tot deze lichaamsdelen belast worden. De dosering van de Jing-kracht is, zeker in het begin, heel moeilijk. Daarom is het beter eerst alle aandacht te geven aan het gehele lichaam zodat alle spieren en gewrichten probleemloos bewogen kunnen worden. In aansluiting daarop voert men de bewegingen dan uit met een zo gering mogelijke krachtsinspanning. Op die manier leert men de noodzakelijke Jing-kracht steeds beter toe te passen. Heeft men dat eenmaal onder de knie dan kan men zich gaan toeleggen op het correct uitvoeren van de bewegingen, het vloeiender toepassen van de figuren en de coördinatie van de bewegingen van de diverse lichaamsdelen.
COORDINATIE
Bij Tai-Ji-Quan wordt het gehele organisme betrokken. De bewust opgeroepen geestelijke krachten, uitsluitend gericht op een juiste besturing van alle bewegingen en de precies op elkaar afgestemde bewegingen van de lichaamsdelen maken dat het gehele organisme, zowel de psyche als het lichaam, geactiveerd wordt.
De harmonische coördinatie van de verschillende lichaamsdelen bij de bewegingen, die de fysiologische hoedanigheden en mogelijkheden van de mens volledig integreren, leidt niet alleen tot een beter functioneren van het lichaam maar ook tot een groter lichamelijk welbevinden. Dit resulteert dan weer in onder andere een betere gemoedsstemming en een beter psychisch evenwicht. Daarom ook wordt bij Tai-Ji-Quan zo sterk de nadruk gelegd op de harmonische coördinatie van de diverse lichaamsdelen.
Harmonische coördinatie wil zeggen dat bepaalde lichaamsdelen, bijvoorbeeld de armen, andere lichaamsdelen, bijvoorbeeld de benen, volgen zodra een van deze lichaamsdelen geactiveerd wordt. In wezen heeft men hier te maken met een soort eenvormige bewegingsdialoog die het volgende zegt:
`Als een deel van het lichaam in beweging is, blijven de andere delen niet in rust.'
`Het hele lichaam komt vanuit de benen en via de heupen tot in de armen toe in één ademtocht in beweging.'
Van het begin af aan moet men proberen alle bewegingen te dirigeren vanuit de heupen respectievelijk het onderlichaam (DanTian) en de ledematen via de romp. Aanbevolen wordt dat men in het begin niet probeert alles -dus van de eerste tot de laatste figuur- na te doen, maar dat men zich eerst toelegt op de afzonderlijke
figuren zoals Het Begin of De Wolkenhanden oefenen zodat men eerst leert hoe de ledematen via de romp te coördineren. Daarna kan men andere onderdelen zoals de `Ruiter- of Schutterhouding', verplaatsing van het lichaamsgewicht en het wisselen van de passen beoefenen. Op die manier leert men ook hoe een stevige uitgangspositie ingenomen kan worden en hoe men de passenwisseling leert beheersen.
In aansluiting daarop gaat men dan oefenen op het bewegingspatroon van een gehele figuur, het draaien van het lichaam en het synchroon op elkaar afstemmen van de bewegingen van de handen. Aldus leert men langzamerhand de delen van het lichaam met elkaar te coördineren, het hele lichaam optimaal te trainen en gelijkmatig te ontwikkelen.
VERPLAATSING VAN HET LICHAAMSGEWICHT EN HET ZWAARTEPUNT
Bij Tai-Ji-Quan wordt in het bijzonder gelet op een gelijkmatige verdeling van het lichaamsgewicht en een stevig op de voeten staan omdat deze factoren een sleutelrol spelen bij verandering van houding en het wisselen van positie. Het moet duidelijk zijn op welk been het lichaamsgewicht rust ( in het Chinees het been dat 'Shi' =`vol' is) en welk been niet of nauwelijks belast is ( in het Chinees: Xü = `leegte' of `leeg'). Maar het overbrengen van het lichaamsgewicht van het ene been op het andere moet gebeuren zonder de benen te verplaatsen.
Als niet duidelijk is welk been `vol' is en men zijn lichaamsgewicht niet in één vloeiende beweging verplaatst dan is het resultaat dat men niet stevig staat en men gemakkelijk uit positie te brengen is. Bij Tai-Ji-Quan is een bekend gezegde: `Men sluipt als een kat en men beweegt zijn handen alsof men een zijden draad uit een cocon trekt.'
Hiermee bedoelt men aan te geven hoe behendig en stevig men zijn passen moet zetten en hoe precies men daarbij de handen en armen moet bewegen. Maar voor alles moet men heel goed letten op de precieze verdeling en verplaatsing van het lichaamsgewicht zodat het lichaam in evenwicht blijft en de ledematen zich rustig en gelijkmatig bewegen. Want als men niet goed in balans staat, dan staat men ook niet stevig en is het helemaal onmogelijk zich op de juiste wijze te verplaatsen.
Ongeacht het feit hoe moeilijk en gecompliceerd een Tai-Ji-Quan beweging ook is: men zal toch eerst moeten zorgen voor een stevige en tegelijk ontspannen uitgangspositie. Dat is ook wat men bij Tai-Ji-Quan verstaat onder de basiseisen: `vanuit het midden rechtop, kalm en onvervaard'.
Enkele voorbeelden daarvan:
- Voordat men het lichaam draait moet men eerst stevig rechtop staan.
- Bij voorwaartse of achterwaartse bewegingen moet men eerst de voet op de grond laten neerkomen en dan pas het zwaarte punt van het lichaam verplaatsen.
Andere criteria die een rol spelen bij de juiste lichaamshouding zijn bijvoorbeeld los afhangende schouders, ontspannen lendenen en heupen en een diepe buikademhaling vanuit de buik. Deze criteria dragen ertoe bij dat het zwaartepunt van het lichaam zich stabiliseert en als men daarop let dan zal men op den duur aan kalmte winnen en steviger op de benen staan.
Bij Tai-Ji-Quan wordt gestreefd naar een rustige (Dan-Tian) ademhaling vanuit de buik. Hierbij wordt diep in- en uitgeademd. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat men de zuurstof vanuit de buikholte haalt, maar wel dat men het middenrif bij het inademen zo diep mogelijk, maar zonder veel inspanning, in de buikholte laat dalen en bij het uitademen zo hoog mogelijk in de borstkas omhoog duwt. Daarbij volgt het denken deze bewegingen van het middenrif.
Dit is nu wat men bij Tai-Ji-Quan bedoelt met `het Qi af laten dalen in het Dan-Tian'. Deze diepe buikademhaling stimuleert niet alleen de werking van de inwendige organen, maar ook het vegetatieve zenuwstelsel zodat men na enige tijd van binnen in het onderlichaam een tintelend, warm en plezierig gevoel krijgt. Deze wijze van ademhalen correspondeert op een natuurlijke wijze met de bewegingen van het lichaam. Zo ademt men bijvoorbeeld in als men opstaat en men ademt uit bij het gaan zitten. Men ademt in als men de armen spreidt en men ademt uit als men de armen weer sluit. Men ademt in als men de armen naar het lichaam brengt en men ademt uit als men de armen uitstrekt.
Maar nog veel belangrijker is dat men rustig en op een natuurlijke wijze ademhaalt, dus niet geforceerd en niet extreem vertraagd. In het begin moet men er goed op letten dat men op deze wijze ademhaalt en men moet dus niet direct de wat moeilijker buikademhaling gaan proberen (tenzij men met deze wijze van ademhalen reeds vertrouwd is). Voorlopig is het voldoende als men ademhaalt zoals men dat gewend is. Dat wil zeggen: men ademt in en uit zoals het lichaam dat uit zichzelf doet en men moet zich daar niet verder om bekommeren.
Het lichaam is heus wel in staat intuïtief op de juiste manier adem te halen, aangepast aan de situatie. Pas als men vertrouwd is met de bewegingsvormen kan men beginnen met de rustige, diepe buikademhaling. De analogie van het in- en uitademen en de uitvoeringen van de bewegingen kan niet zo maar worden afgedwongen, maar dient te worden afgestemd op de heersende fysiologische omstandigheden en op de persoonlijke ervaring en vaardigheid die men bereikt heeft in de diverse ontwikkelingsstadia van het Tai-Ji-Quan.
Zelfs binnen het kader van één enkele beweging moet men al vaak het in- en uitademen variëren. Neemt men deze fysiologische wetmatigheid niet in acht dan kan men te maken krijgen met kortademigheid, steken in de zij en hartkloppingen of disharmonie in de bewegingen.
De genoemde criteria zijn niet van elkaar te scheiden want daarvoor is hun onderlinge samenhang te groot. Is men bijvoorbeeld innerlijk onrustig dan kan men zich slecht concentreren met als gevolg dat de geest de bewegingen niet sturend kan leiden en de bewegingen zijn dan niet meer rond en vloeiend. Dit brengt met zich mee dat men het verplaatsen van het lichaamsgewicht niet goed beheerst en het evenwicht verliest. Het lichaam wordt teveel gespannen, de coördinatie van het geheel raakt in disorde en men kan ook al niet meer op een natuurlijke manier ademhalen.
|
|
|